Feeds:
Berichten
Reacties

“Er zijn in deze tijd geen overtuigende filosofische argumenten meer om het geloof af te wijzen”, zegt de Italiaanse filosoof Giannni Vattimo.

Dit heeft veel te maken met de gedachte dat de meest argumenten tegen geloof, stammen uit de tijd van het modernisme. De tijd waarin de rede tot goddelijke hoogte werd verheven. Het grote verhaal van de evolutie zou God weg verklaren en de logisch positivisten deden daar nog een schepje bovenop, door te stellen dat op termijn alles verklaard zou kunnen worden met de rede. Denkers als Wittgenstein en Heidegger en na hen de postmodernen hebben gaten geschoten in deze verheerlijking van de rede.

De rede blijkt niet zo dwingend als werd gesteld. Wittgenstein liet al zien dat elk taalspel zn eigen regels heeft en de postmodernen hebben beargumenteerd dat er geen onbetwijfelbare fundamenten zijn om rationele kennis te funderen van waaruit de rede keiharde uitspraken kan doen.

Ook het evolutionisme is geen theorie gebleken dat God buitenspel zet.

Nietzsche zei al dat alles interpretatie was en Vattimo vult aan dat zelfs dat een interpretatie is. Meer hebben we dus niet…

De harde rede is verzwakt. Er is nu een zwakke rede die ruimte laat voor de ander. Een rede die ondergeschikt zou moeten zijn aan de liefde.

Hier introduceert Vattimo ook de religie als passende context om invulling te geven aan deze liefde. Liefde is echter niet het alleenrecht van christenen, maar het is wel boeiend om over de invulling van liefde het gesprek met elkaar aan te gaan.

Deze openheid lijkt me een mooi begin voor de openheid naar religie, maar ook de openheid voor christenen om vanuit hun perspectief een positieve betrokkenheid op de samenleving uit te werken waarin de liefde centraal staat.

Advertenties

Geloof geeft opening

Geloof kooit mij niet in mijn beperkte ervaring; het geeft mij eerder een horizon dan het die wegneemt; het geeft mij ruimte genoeg.

(Paul Goodman geciteerd door Lambrechts 2003)

Rede en verstand

Verering van de rede is aanmatigend en verraadt een tekort aan begrip. Verwerping van de rede is laf heid en verraadt een tekort aan geloof.
A.J. Heschel in “God zoekt de Mens”

Onze basisbehoeften

Vanuit de mens gezien leeft hij/zij voor twee dingen:

1. hij wil een verschil maken
2. hij wil hierin gekend zijn

Vanavond zag ik de FIlm “King of California” met een glansrol voor Michael Douglas als schizoide vader die zijn dochter meenam in zijn jacht naar de schat. De vader – net ontslagen uit de mental health institution – denkt dat hij op het spoor is van een schat uit 1625. Dit weet hij zo aan zijn dochter te brengen dat ze gaat twijfelen of ze hem nu echt gelooft of gewoon wil geloven omdat het haar vader is. Hij heeft immers altijd al vanalles verzonnen en gezegd dat hij een slag zou slaan. Zo ontstaat er bij haar een acceptatieproces waarin geloof en ongeloof elkaar afwisselen. Dan roept ze ergens uit, dat haar vader leeft om een verschil te maken met de andere mensen.

Hoe de film afloopt zal ik niet vertellen. Maar dit zinnetje sprak mij aan omdat ik het zo herken. In mijzelf wil ik niet opgaan in de massa en ben ik bang dat ik door dit opgaan nooit zal bereiken om een verschil te maken.

Anderzijds is er ook een verlangen om hierin niet alleen te staan. Misschien zelfs wel een angst voor de eenzaamheid. De ontdekking van mijn uniciteit kan ik immers met niemand delen en zal mij mijn eenzaamheid doen ervaren.

Dat is volgens mij kernachtig gezegd een koppeling tussen existentialisme en de reactie van psychologen met de theorie van de 2 basisbehoeften:

1: autonomie/zelfstandigheid
2. verbondenheid

Volgens deze ervaringsgewijze psychologie zijn dit de twee leidende behoeften van de mens. De mens komt in psychische problemen omdat ze niet goed voor deze 2 behoeften kan zorgen. Of niet goed voor de behoefte aan verbondenheid, of niet goed voor de behoefte aan autonomie.

Het gecompliceerde hierbij is dat deze behoefte zich soms gelijktijdig aandienen. Als je behoefte hebt aan gezelschap en je hebt een goed gesprek, dan kan je soms ook ineens de behoefte hebben om even afstand te nemen. De verbondenheid is aangenaam, maar je wilt dan ook even weer terug en “tot jezelf” komen.

Meestal zie ik om me heen en bij mezelf rigoureuze oplossingen om voor deze behoeften te zorgen. Mensen storten zich in een relatie of in de groep en anderzijds trekken mensen zich terug en zonderen zich af. Het lijkt me een levenskunst om in het contact zowel voor je autonomie te zorgen door je bewust te zijn van je (ik-) grenzen en tegelijkertijd ook voor je verbondenheid te zorgen voor de dingen die je kan delen met de ander. Een zorgende houding schijnt hierbij te helpen. Volgens mij is er optimale intimiteit als we gelijktijdig goed voor onze 2 basisbehoeften kunnen zorgen en ook nog eens goed voor deze 2 basisbehoeften bij de ander. Dat schept immers ook nog veiligheid in een relatie.

Een grappige persoonlijke observatie is dat mannen meestal neigen naar de eerste behoefte en vrouwen over het algemeen meer naar de tweede. Maar uitzonderingen bevestigen natuurlijk altijd de regel.

Dit is een beetje gestalt en een beetje reactie daarop van anderen.

Het verschil maken is vooral een streven vanuit de gestalttherapie. Ook Jung kwam al eerder met de term individuatie, alshet groeiproces van de mens. Dit lijkt me zeer nuttig en kunnen we nooit voldoende op waarde schatten, maar als we het streven naar verbondenheid uit het oog verliezen dan worden we eenzijdig.

De bijbel helpt mij wel om hierin een gezond evenwicht te bewaren. Als Paulus in de Efezebrief zegt dat we als kerk een eenheid in verscheidenheid zijn, dan voel ik dit spanningsveld in zijn woorden. We zijn een eenheid, maar nooit ten koste van onze uniciteit.

De wetenschap denkt in algemeenheden en zal nooit recht kunnen doen aan uniciteit. Daarom heeft de heersende psychologie altijd moeite gehad met de existentialistische psychologie. Die zijn immers op zoek naar het unieke en het niet herhaalbare, hetgeen in de experimentele wetenschap natuurlijk niet past.

Gelukkig zijn we als mens meer dan het algemene en zien we dagelijk onze uniciteit. Niet als we ons blijven afspiegelen met mensen om ons heen en de competitie aangaan, maar juist daarna als we beseffen dat we nooit hetzelfde kunnen zijn als de ander en als we winnen ook weer op eenzame hoogte kunnen komen.

Daarom blijven we met de leegte zitten en zie ik een uitweg in God die mijn persoonlijk kent, maar ook mijn uniciteit bevestigd die Hij zelf heeft gemaakt. Hij heeft een persoonlijke weg met mijn leven. Onvergelijkbaar en uniek.

En God is daarbij de “gans andere” maar ook de “immanuel” (God met ons) omdat Hij naast ons is komen te staan door Jezus Christus.

Het spanningsveld die de psychologie in de vorige eeuw heeft ontdekt, komt zo terug in het bijbelse beeld van God en de mens.

Herstel van deze “breuk” noemt de bijbel “heil” wat staat voor heelheid wat een goede zorg voor deze 2 basisbehoefte kan bewerken.

Alleen is dit niet alleen een therapeutische truuk in de bijbel. Het is ook een ethische oplossing, een kosmologische oplossing en uiteindelijk een alomvattende oplossing. De heelheid wordt basaal uitgewerkt en is in Jezus allesomvattend begonnen toen hij dood liet volgen door het nieuwe leven.

God is niet ver van ons vandaan we kunnen hem overal tegenkomen. Als we dit maar willen zien en het contact met Hem aandurven…

Het is niet zo’n grote stap om een eenvoudig gebed uit te spreken en te zeggen dat je bij Hem wilt horen. Maar vluchtwegen zijn er ook…

God laat ons gelukkig helemaal vrij…

ongezond denken

De uitspraak “Ik denk dus ik ben” (Descartes) was niet alleen grote onzin, maar heeft er ook aan bijgedragen dat er een vervelende scheiding optrad in denken en beleven die psychisch als ongezond kan worden getypeerd. Daarbij is men ook gaan leven in de veronderstelling dat er alleen maar dingen kunnen bestaan die ook gedacht kunnen worden. Daar treed dan de levensbeschouwelijke ziekte in.

Het was onzin omdat de zin al een bestaan van een ik veronderstelt. Dan wordt het dus “Ik ben dus ik denk” Of ik denk omdat ik besta. Dat lijkt me de logische volgorde.

Dat het denken als primair wordt gezien, is psychisch ongezond omdat mensen dan meer in hun hoofd gaan leven. Denken is een vorm van beheersen. Het onder woorden brengen van de werkelijkheid, wil de werkelijkheid vatten in denken. Het abstraheert de  directe ervaring. Daar is op zich niets mis mee, als je maar niet gaat denken dat alleen datgene kan bestaan wat je kunt denken. En dat is helaas veel gebeurd. Dat lijkt me zeer schadelijk voor het gevoelsleven en de gevoelsreacties van mensen. Emoties kan je onder woorden brengen en erover praten. Dit proces vindt plaats in de reflectie, in tweede instantie, achteraf. De scheiding van verstand en gevoel is dan ook een symptomatisch gegeven van de laatste eeuwen. De enige manier om deze te integreren zie ik in de veronderstelling dat ze beide worden ‘gedragen’ door de ervaring. We kunnen immers zowel  onze gevoelens ervaren als onze gedachten. In de ervaring ontdekken we dat we er in verhouding mee staan. In de ervaring beseffen we ons bestaan. Dit noem ik een helende ervaringsgerichtheid.

Ten slotte is “het primaat van het denken” ook levensbeschouwelijk ongezond. Het sluit ons niet af van onze gevoelens, maar het sluit ons ook nog eens af voor onze medemens en voor God. Zowel onze medemens als God kunnen nooit vooraf worden gedacht eer dat we het kunnen accepteren. Het element van verassing speelt daarbij een te grote rol. De ander als oneindige ander waarmee we in relatie treden geld voor onze medemens en voor God.

Hiermee wil ik maar zeggen dat denken nooit als primaat voor het geloof kan worden geschoven. Denken is altijd iets reflectiefs en kan alleen maar plaatsvinden op grond aannames op grond van geloof.  Omdat we in het praktisch leven altijd meer geloven dan we kunnen bewijzen in ons denken, zie ik het geloof ook een plek krijgen in de ervaring.

Dit wordt het meest duidelijk als we naar een jonge kind kijken. Het heeft vertrouwen in de mensen en in de wereld zonder dat het nog maar kan denken. Het begint met vertrouwen en ervaren, pas later volgt het denken. En laten we ons niet wijsmaken dat dit verandert als we volwassen zijn. Als je de liefde ervaart in je partner of in je kinderen dan weet je dat dit niet de vrucht is van mooie gedachten die bewijs leveren voor de liefde. Mooie gedachten kunnen soms bijdragen aan het emotionele gemoed, maar  veel vaker ervaar ik dat de liefde mijn gedachten beinvloedt.

Voor mij is gelovig denken dan ook meer dan een religieuze houding. Het heeft voor mij alles te maken met een gezonde omgang met God, de mensen om mij heen en met mezelf.

In de bijbel zien we deze volgorde ook weer terug. Verandering van denken is – net zoals de RET-therapie – van invloed op hoe we dingen beleven, maar vooraf aan de verandering van het denken gaat de toewijding en vooraf aan de toewijding gaat de liefde. De liefde die in onze hart wordt uitgestort door God (Rom5:5) brengt ons tot de vrije keuze om ons leven toe te wijden aan degene die ons het eerst heeft liefgehad en die  ons liefde geeft. In deze vrijheid kan de toewijding groeien die niet slaafs is, maar uit liefde.

Hierin is liefde geen gevoel, maar een genegenheid die verder gaat dan gevoel alleen en die zich in de tijd voltrekt als trouw. Ook al voel ik het even niet.

Ook daarin wordt duidelijk dat zowel denken als voelen nooit de basis kunnen zijn van onze relaties. Het begint in een positieve verbondenheid waarin vertrouwen een belangrijke rol speelt. Het basisvertrouwen van het kind is de bodem voor de goede relatie met de verzorger als deze niet wordt beschadigd.

Dit basisvertrouwen wordt ervaren en niet vooraf bedacht op grond van bewijsvoering.

Ik geloof het

“We weten dat de aarde rond is. We hebben ons er definitief van overtuigd, dat ze rond is. We zullen bij deze opvatting blijven, behalve wanneer de hele manier waarop we de natuur bekijken verandert. Hoe weet je dat? Ik geloof het.”
Ludwig Wittgenstein in “Over zekerheid” p. 81